kenniscentrum-evc-logo-wit

 

Het Kenniscentrum EVC, gesubsidieerd door OCW, is 15 jaar lang betrokken geweest bij de ontwikkeling van EVC. Met ingang van 2016 komt daar een einde aan. De betrokkenheid van de overheid bij de kwaliteit van EVC via de beleidsregel afgifte EVC-verklaring wordt afgebouwd. EVC als arbeidsmarktinstrument gaat verder op eigen kracht.


Een kwaliteitssysteem zal op private wijze worden vormgegeven. Tijs Pijls gaat in dit artikel in op de ontwikkeling van EVC sinds de jaren '90 en blikt vooruit. Aandachtspunt voor de nabije toekomst is bijvoorbeeld de erkenning van ervaringscertificaten. En: EVC kan niet zonder mogelijkheden voor flexibel maatwerk. Ook is het van belang standaarden flexibel toe te kunnen passen.


Alweer zo’n 20 jaar geleden kreeg de Commissie ‘Erkenning Verworven Competenties’, ook bekend als Commissie Wijnen, opdracht om de minister van OCW te adviseren over de mogelijkheden om niet formeel erkende leerresultaten van een individu te erkennen. De aanleiding voor deze adviesvraag was de intransparantie van uitkomsten van landelijk erkende opleidingen vergeleken met particuliere opleidingen en met informele, op ervaring gebaseerde leerprocessen. Deze intransparantie werd gezien als problematisch voor de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, voor toelating tot vervolgopleidingen en voor intrede op de arbeidsmarkt. Het rapport van de Commissie Wijnen werd in 1994 aangeboden aan de minister met daarin de conclusie dat een stelsel voor het erkennen van informele leerwerkresultaten wenselijk en haalbaar is; de commissie deed een voorstel voor implementatie met experimenten. Verwacht werd dat een dergelijk stelsel jaarlijks 4.000 kandidaten zou kunnen beoordelen. In dit perspectief is het huidige resultaat van circa 17.000 kandidaten per jaar een groot succes.

Voordelen voor individu

Het Kabinet zag in een beleidsreactie (1998) als voordelen van een dergelijk stelsel dat dit zou kunnen bijdragen aan de werking van de vraag- en aanbodzijde van de arbeids- en opleidingenmarkt en dat het een weg kon openen naar leerwegonafhankelijkheid van reguliere toetsen en examens. Bovenal moesten echter de voordelen voor het individu voorop staan. En dat is nog steeds het belangrijkste doel!

EVC stimuleren en faciliteren

Het idee voor ontwikkeling van een systeem voor EVC werd omarmd door verschillende departementen en door de sociale partners (vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers). De notitie De Fles is halfvol verschijnt rond 2000 en staat vooral in het teken van employability. In later jaren staat EVC vooral in het kader van duurzame inzetbaarheid en leven lang leren. In 2001 werd het landelijke Kenniscentrum EVC ingesteld om benutting van EVC in sectoren en branches te stimuleren. Maar er was meer nodig dan stimuleren: partijen moesten ook gefaciliteerd worden om daadwerkelijk werk te maken van EVC.

EVC raakt steeds meer verankerd
Het idee van de waarde van leren buiten opleidingen & onderwijs, van ‘anders beoordelen’ ontmoette ook weerstand en scepsis. Er kwam behoefte aan onderzoek en kennisontwikkeling, aan transparantie en kwaliteitsborging. Na jaren van bottom-up ontwikkeling en experimenten stelde de overheid een Projectdirectie Leren & Werken in (2005-2010) om versnelling tot stand te brengen en verduurzaming (want al die bottom-up initiatieven waren vaak projectgebonden). Flankerend was er subsidiebeleid als aanjager voor nieuwe initiatieven en projecten. Betrokkenheid van de overheid en de financiële middelen hebben tevens bijgedragen aan bestuurlijk commitment in vele samenwerkingsverbanden van overheid, arbeidsmarktorganisaties en onderwijs om EVC- en maatwerktrajecten vorm te geven. Het idee werd een hype. EVC raakte steeds meer verankerd in cao’s en in beleid, inrichting en uitvoering van dienstverleners.

Keerzijde van vele experimenten
De keerzijde van de vele experimenten en pilots was een EVC-praktijk van 1000 bloemen bloeien. De toenemende benutting van EVC binnen onderwijsinstellingen leidde er ook toe dat de Inspectie mee ging kijken naar vrijstellingen voor onderwijs of examinering op grond van de uitkomsten van EVC-procedures. Werden die vrijstellingen op deugdelijke en rechtmatige gronden verstrekt? Omdat de kwaliteit niet altijd en overal onomstreden was, besloot de overheid in 2010 de regie te nemen op de kwaliteit van EVC. De Kwaliteitscode EVC die in 2006 tot stand kwam werd onderdeel van een beleidsregel. Er kwam een actieplan om de kwaliteit van EVC te verhogen en het toezicht op aanbieders werd aangescherpt. Noodzakelijke en goedbedoelde regulering leidde er echter ook toe dat de hype in een keurslijf terecht kwam. De belangrijkste verworvenheid van EVC - erkennen van de waarde van ervaring - raakte soms ondergesneeuwd onder procedures en regels en angst voor afkeurende inspectierapporten.

Minder EVC-aanbieders
Beëindiging van het stimulerings- en subsidiebeleid (2010) en tegenvallende kwantitatieve resultaten hebben ertoe geleid dat verschillende aanbieders stopten met EVC. Voor een gezonde bedrijfsvoering moet een EVC-aanbieder voldoende vraag hebben (kwantiteit) en voldoende vlieguren kunnen maken (kwaliteit). Als de balans hiertussen zoek is, komen er terecht vragen over het bestaansrecht en de toegevoegde waarde. Dienstverlening op het gebied van validering moet je niet alleen op de markt weten te verkopen, maar ook intern. Dat lukt soms beter bij private aanbieders die per definitie al hebben gekozen voor ondernemerschap en marktbenadering dan bij aan onderwijs gelieerde aanbieders, wanneer deze nog onvoldoende ervaring hebben met accountmanagement en een vraaggerichte bedrijfsbenadering. Al met al bleef het volume van uitgevoerde EVC-procedures echter redelijk op peil. Het aantal dienstverleners nam af (70 in juni 2014), maar dat kleinere aantal partijen heeft zich in de markt bewezen en voldoet blijkbaar aan deze vraag naar loopbaandienstverlening.

Herbezinning op het EVC-systeem
Vraagstukken op het gebied van kwantiteit, kwaliteit en effectiviteit van EVC (verzilvering van ervaringscertificaten binnen onderwijsinstellingen) hebben uiteindelijk geleid tot een herbezinning op het EVC-systeem en de rol van de overheid daarin. De minister van OCW heeft in 2012 aan de Convenantpartners EVC, waarin OCW en SZW zitting hebben naast Stichting van de Arbeid en sociale partners, gevraagd om te komen met een voorstel voor een toekomstbestendige inrichting van het EVC-systeem. Deze herbezinning heeft geleid tot een voorstel voor EVC en validering via twee routes:

  • binnen het onderwijs als een diploma het loopbaandoel is. De beoordeling van de kwaliteit van vrijstellingen op grond van uitkomsten van EVC/validering valt dan onder het regulier toezicht; er hoeft geen kwaliteitssysteem of beleidsregel EVC voor in stand gehouden te worden. Het is aan onderwijsinstellingen zelf om bij intake en toelating te bepalen om EVC/validering toe te passen. Voor volwassenen en voor werkenden ligt een dergelijk instroomonderzoek voor de hand. Het past ook in de roep om flexibilisering en vraagsturing van onderwijs (Rinnooy Kan, 2014).
  • validering op de arbeidsmarkt als een diploma niet het doel is, maar werknemers (en werkgevers) wel willen weten wat ze waard zijn ten opzichte van landelijke of branchestandaarden. Dit inzicht kan bijdragen aan loopbaanontwikkeling, (duurzame) inzetbaarheid en mobiliteit. Aan de uitkomsten van validering op de arbeidsmarkt kunnen geen rechten worden ontleend voor validering binnen onderwijs. Sociale partners en aanbieders gaan met gingen met ondersteuning van het Kenniscentrum EVC aan de slag met de inrichting van een privaat kwaliteitssysteem voor validering op de arbeidsmarkt (transitieperiode loopt van 2014 tot 2016).

Wat is er bereikt in al die jaren?
Wat is er door de inspanningen van de ministeries van OCW, SZW en EZ, de sociale partners, het Kenniscentrum EVC en de EVC-aanbieders allemaal bereikt?

  • De oorspronkelijke gedachte was dat het zou gaan om een systeem voor circa 4.000 kandidaten per jaar. De verschillende onderzoeken naar de kwantitatieve ontwikkeling van EVC (Ecorys 2011, Kenniscentrum EVC 2012 en 2013) komen uit op een jaarlijks volume van circa 17.000 kandidaten. Dit volume is gebleven ondanks het wegvallen van het stimulerings- en flankerend subsidiebeleid van de overheid (2010) en ondanks het wegvallen van de Wet Vermindering Afdracht (in 2013). Het aanbod voorziet blijkbaar in een behoefte.
  • EVC is opgenomen in meer dan 100 cao’s en opgenomen in afspraken rond scholingsplannen en sectorplannen.
  • De begrippen EVC en ervaringscertificaat zijn bekend geraakt. De website www.kenniscentrumevc.nl is drukbezocht, er zijn veel telefoontjes en e-mails van vooral individuen die iets willen met EVC .
  • Een positieve ontwikkeling is de trend naar meer flexibiliteit in de dienstverlening rond EVC/validering. Onder invloed van regulering voor verhoging van de kwaliteit was er nog slechts één vorm heilig: het erkennen van competenties uitmondend in een ervaringscertificaat, de meest intensieve en prijzige vorm. In lijn met ontwikkelingen in Europa wordt ’one size fits all’ steeds meer losgelaten. Het gaat er om dát instrument in te zetten dat het best past bij de loopbaanvraag. Als herkenning en bewustzijn van competenties voldoende is, zijn lichte instrumenten toereikend (bijvoorbeeld CH-Q of EVP). Als waardering nodig is, helpt het gebruik van een externe standaard. Als ook erkenning (een ervaringscertificaat) wenselijk is, zijn daarnaast deskundige beoordelaars nodig. EVC gericht op een ervaringscertificaat is één van de instrumenten uit het palet van valideringsinstrumenten; deze vorm is met name geschikt voor mensen die weten wat hun loopbaandoel is en die relevante werkervaring in deze richting bezitten.
  • Een belangrijke aanleiding voor de ontwikkeling van een EVC-systeem was de behoefte aan transparantie ofwel vergelijkbaarheid van resultaten uit formeel en informeel leren voor de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. We hebben nu 20 jaar later meerdere instrumenten voor validering en transparantie van leerresultaten naast EVC: het Nederlands Kwalificatieraamwerk NLQF, dat gerelateerd is aan het EQF, het European Qualification Framework. Dit raamwerk biedt de mogelijkheid om niet erkende kwalificaties te laten inschalen in een voor Nederland en Europa herkenbaar niveau (zie ook www.ncpnlqf.nl). Daarnaast is er ECVET, de ontwikkeling om kwalificaties op te delen in eenheden en zo mogelijk studiepunten. Er liepen in 2014 en 2015 pilots om met deze eenheden zowel werkgevers als werknemers te dienen: werkgevers bepaalden welke eenheden in een specifieke werksituatie nodig zijn; individuele werknemers konden hun ervaring ten opzichte van die eenheden laten valideren; indien nodig volgde er een leerwerktraject op maat.
  • Het principe van EVC is in 2015 toegepast in 14 ECVET-pilots om werknemers via validering te laten zien wat ze waard zijn, in een aantal pilots gevolgd door flexibel maatwerk.
  • Ruim 60 EVC-aanbieders die het label erkend aanbieder écht waard zijn.
  • Er is veel interesse vanuit het buitenland voor de Nederlandse aanpak. Vooral over de kwaliteitsborging, belastingvoordeel, nationaal register en dat sociale partners EVC steunen en stimuleren.

Belangrijke mijlpalen
EVC heeft zich mede door de inzet van het Kenniscentrum EVC ontwikkeld tot een waardevol arbeidsmarktinstrument. Belangrijke mijlpalen waren:

 

2006:

Ondertekening en inwerkingtreding van het convenant Kwaliteitscode EVC.    

2009:

De beleidsverantwoordelijkheid voor de kwaliteitsborging van EVC werd belegd bij het ministerie van OCW.

2010:

Om de kwaliteit van EVC hoog te houden en de waarde van ervaringscertificaten te borgen, werd het actieplan
kwaliteit EVC in opdracht van het ministerie door het Kenniscentrum EVC ontwikkeld. Het plan is in 2010 en 2011
uitgevoerd.

2012:

Ondertekening nieuw convenant door de Stichting van de Arbeid en de overheid met als doelen om het gebruik
van EVC als arbeidsmarktinstrument verder te stimuleren en de kwaliteit te borgen.

2012:

Naar aanleiding van o.a. een kritisch rapport van de Inspectie (‘Examencommissies & Ervaringscertificaten’) liet
OCW in opdracht van de verantwoordelijke bewindspersonen een grondige analyse van de ontwikkeling en staat
van EVC uitvoeren. Conclusie was dat de kwaliteit van EVC en van ervaringscertificaten, de kwantiteit van
EVC-deelname en de effectiviteit van EVC (verzilvering van ervaringscertificaten) verder geoptimaliseerd moeten worden.

Begin 2013:

Onder regie van de Convenantpartners EVC werd een voorstel ontwikkeld voor één toekomstig systeem van
validering van leerresultaten langs twee routes: de arbeidsmarktroute en de onderwijsroute.

2013:

Ontwikkeling aangescherpte beleidsregel gebaseerd op domeinen.

Eind 2013:

Onder regie van de Convenantpartners EVC werd het implementatieplan Toekomstbestendige inrichting van
een systeem voor validering vastgesteld.

2014:

Invoering nieuwe beleidsregel.

2014:

Partnerschap Leven Lang Leren: EVC wordt vanuit een breder perspectief (validering) in combinatie met
NLQF en ECVET gepositioneerd als instrumenten voor duurzame inzetbaarheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EVC: van belofte tot geaccepteerd product
Ondanks alle ontwikkelingen en mijlpalen is EVC is voor opleiders en werkgevers altijd een redelijk innovatief product gebleven; een product dat zelfs nu nog in ontwikkeling is en met hobbels op het pad te maken heeft. Aanbieders en werkgevers benaderen EVC veelal geïsoleerd en zijn nog niet altijd in staat om EVC als instrument voor validering op het juiste moment in te zetten voor de juiste vragen en ontwikkelingen. Door EVC te positioneren in de product life cycle van innovaties kunnen we veel leren over de golfbeweging om tot een stabiel aanbod te komen van kwaliteit. Marktonderzoeksbureau Gartner Research (in Fenn & Raskino, 2008) laat door middel van een ‘hype cycle’ zien hoe een innovatie zich volgens een vast patroon ontwikkelt. Gartner richt zich vooral op technologische ontwikkelingen. De cyclus loopt van belofte tot geaccepteerd product en doorloopt daarbij verschillende fasen:

  • Fase van overdreven enthousiasme; het product wordt gelanceerd en er ontstaan grote verwachtingen. Het hoogtepunt van de hype is de Peak of Inflated Expectations.
  • Fase van teleurstelling (Trough of Desillusionment): de hooggespannen verwachtingen worden niet waargemaakt.
  • Fase van geleidelijke verbetering: er ontstaat duidelijkheid over de echte zinvolle toepassingsmogelijkheden. Het is een fase van bezinning en evaluatie, die overgaat in het Plateau of Productivity, de fase waarin de nieuwe ontwikkeling productief wordt.

afb hype cycle
Figuur 1: Hype Cycle for Emerging Technologies van Gartner
Deze hype cycle is goed toepasbaar op de ontwikkeling van EVC als innovatief arbeidsmarktinstrument. Na aanvankelijk enthousiasme, grote verwachtingen en een zekere modieusheid (er is stimuleringsbeleid, er zijn middelen, de overheid en sociale partners willen het) komt de fase van teleurstelling (het kost inspanning en geld om de kwaliteit te borgen, de vraag valt tegen, versnipperd beleid) en breekt nu de fase aan van hernieuwde keuzes. In die fase is EVC nu aanbeland.
Aandachtspunten voor verdere uitwerking

  • We moeten een beetje terug naar de ruwe diamant, de principes van EVC/validering, in plaats van teveel focus op de regels of het instrument. Die principes gaan over de waarde van ervaringsleren en werkplekleren na(ast) het schoolse leren. Meer en beter gebruik maken van validering van wat mensen al kunnen en kennen. Echt oog voor de loopbaanvraag van het individu.
  • Het civiel effect en de erkenning van het ervaringscertificaat moet doorontwikkeld worden. Sociale partners maar ook het register van ervaringscertificaten kunnen voor dé impuls zorgen die nodig is om de waarde van ervaringscertificaat te verhogen.
  • De verbinding tussen de arbeidsmarktroute en onderwijs. Als personen met een ervaringscertificaat besluiten om alsnog een diploma te halen, dan is de verbinding essentieel. EVC kan niet zonder de mogelijkheden van flexibel maatwerk voor volwassenen met erkenning van dat wat ze kunnen. Roc’s, hogescholen en andere opleidingsinstellingen moeten meer gepersonaliseerde trajecten gaan aanbieden waarin flexibel maatwerk echt mogelijk is via o.a. werkplekleren en blended learning.
  • De verbinding tussen beide routes zal verdere aandacht nodig hebben. De nieuwe EVC Raad, het Nationale Kenniscentrum EVC maar ook het Servicepunt Examinering zullen dit proces nauwgezet moeten monitoren.
  • De behoefte aan persoonscertificering zal alleen nog maar gaan toenemen de komende jaren, vaak in combinatie met permanente educatie en registratie. EVC is ook een vorm om te laten zien dat je nog steeds bekwaam bent. Het ervaringscertificaat is een geschikte manier om te laten zien wat je waard bent in het kader van een leven lang leren.
  • Flexibel toepassen van standaarden. De focus is nu gericht op crebo-, croho- en branchestandaarden. Ik pleit ervoor om ook andere standaarden te gebruiken als basis voor validering: descriptoren uit het NLQF, delen van standaarden (bijvoorbeeld ECVET-eenheden), ‘eigen’ standaarden van grote organisaties of beroepsgroepen.
  • Het gaat erom goed te kijken naar wat iemand meebrengt. Laten we validering niet te geïsoleerd benaderen maar beschouwen als basis voor loopbaanontwikkeling of flexibel maatwerk.
  • Vooral aan de onderkant - denk aan laagopgeleide doelgroepen en mensen met een smalle beurs - onderzoeken op welke wijze validering maar ook maatwerk voor jongvolwassenen bekostigd of gesubsidieerd kan worden. In het verleden waren er potjes vanuit o.a. UWV. De doelgroep aan de onderkant van de arbeidsmarkt heeft vaak niet de middelen om dit soort trajecten te bekostigen.
  • Niet alleen focussen op EVC, maar ook andere valideringsinstrumenten. NLQF, ECVET en EVC zijn in combinatie krachtige instrumenten voor het valideren van iemands werk- en denkniveau. Doel is de arbeidsmobiliteit te bevorderen.

De keuze voor twee routes is gemaakt. Het succes van de arbeidsmarktroute zal mede afhangen van het feit of de kwaliteitsborging verder kan worden uitgebouwd, de erkenning van het ervaringscertificaat, de ketenaanpak, de inzet van branchestandaarden en verdere stimulering door sociale partners. Het succes van de onderwijsroute zal vooral afhangen of onderwijsinstellingen volwassenen kunnen bedienen met flexibel maatwerk, de ketenaanpak en de verbinding. Zijn met name de bekostigde onderwijsinstellingen in staat om het gevraagde maatwerk te kunnen bieden?

Tot slot
Graag zeg ik hier dank aan het ministerie van OCW en de andere convenantpartners voor de steun en prettige samenwerking in de afgelopen jaren. Ik wens de nieuwe uitvoeringsorganisatie, het Nationaal Kenniscentrum EVC, veel succes met het verder brengen van dit mooie gedachtegoed.

Artikel EVC gaat verder op eigen kracht (PDF)